Quatuor van Kuijk

Dinsdag 14 feb 2017

QUATUOR VAN KUIJK

Een strijkkwartet, maar wel een jong strijkkwartet en nog wel van Franse origine. Ze speelden een jonge Schubert en daarna uit het traditionele repertoire twee giganten: Debussy en Ravel; en daartussenin een opvallende verrassing. Schubert schreef het gespeelde strijkkwartet toen hij 16 was en de rest van zijn omvangrijke werk moest nog volgen. De strijkkwartetten van Debussy en Ravel zijn eenlingen; beide componisten ontdekten iets, niet alleen door het schrijven van een strijkkwartet, waar ze later mee zijn doorgegaan; uitgebreider en diepgaander. Maar tussen die twee kwartetten was er een verrassing geprogrammeerd: het 2de strijkkwartet van Akira Nishimura “Pulses of Light” (elders ook wel Pulse of the Lights genoemd). Ik had nooit van het kwartet gehoord, maar het staat wel op You Tube, dus helemaal onbekend kan het niet zijn, en het is al 25 jaar oud. You Tube biedt een geluidsopname van het kwartet van Nishimura, en tevens een gelijktijdig meelopend beeld van de partituur. Die partituur laat een schrikbeeld zien van dubbelgrepen, van levensgevaarlijke glissando’s en flageolettonen, van wisselende maatsoorten (3/4,6/4,3/8,6/4,3/4, in het eerste deel) en vooral voor de cello veel wisselende en ongewone ritmes. Verder is er een wirwar van onherkenbare notengroepen: strikt atonaal, alleen kruisen en mollen voor de individuele noten. De aanblik van de partituur voorspelt voor de leek niet veel goeds, en de eerste beluistering versterkt die indruk. In aanvang is het stuk een kakafonie van geluiden, waarin zowel blaffende honden, vechtende kraaien, oudejaarsvuurwerk, joelende kinderen, voetzoekers en het piepen van de kelderdeur kunnen worden onderscheiden.

Eén keer luisteren en één keer kijken is dus niet voldoende. Als je vaker luistert en kijkt ontdek je dat de componist zich herhaalt en af en toe varieert op een eerder gebruikt thema. Dat geeft weer moed. Er staan ook duidelijke metronomisch aanwijzingen in de partituur, maar die zijn nauwelijks te horen. Vaak vormen de afwisselend spelende instrumenten één melodie of klankgroep; dat is razend moeilijk en virtuoos: de VPRO-gids van 11 Februari legt dat als volgt uit: “Probeer thuis maar eens met z’n vieren in razende vaart om beurten met één lettergreep uit een Tsjechische of IJslandse tekst voor te lezen; dan begrijpt u wat de strijkers doormaken.” Maar het werd geen warboel, het werd muziek, en wel kamermuziek voor één instrument (een strijkkwartetformatie) stammend uit een eeuwenoude traditie. Het Van Kuijk Kwartet speelde dit strijkkwartet eerder in Osaka ten overstaan van de componist. Het geeft geen pas om flauwe grapjes te maken; er is iets nieuws geprobeerd en dat moet worden ontdekt. Misschien kon dat niet in het kwartiertje na de pauze dat tijdens dit concert voor Nishimura’s werk was gereserveerd. Maar met een nieuwsgierige blik op de partituur en geduldig luisteren kom je een eind. Dus geen boze brieven naar Frans de Bruijn over piep en knor, maar nog maar eens een keer luisteren.

Het strijkkwartet bestaat uit twee delen; het tweede deel vond ik gemakkelijker te volgen dan het eerste deel en er komt zowaar een melodieus slot aan het werk. Ook de ‘’Pulses of Light’’ zijn herkenbaar: het zijn de snelle series nootjes die van 1ste viool tot aan de cello lopen en vandaar weer terug naar de primarius; ze komen vaak voor en zijn goed te onderscheiden. Er zijn twee opvallende maten rust, en je hoort de zachte glissando’s en dubbelgrepen als begeleiding bij een herkenbare melodie (die ik overigens niet kan nazingen). In het tweede deel komt na een paar minuten een soort trein op gang waarin met tokkelingen en korte nootjes, de 4 strijkers één melodie spelen. Het aandeel van de cellist is fascinerend in dit stuk. De discipline van het Van Kuijk Kwartet is voorbeeldig; de uitvoering van dit strijkkwartet is een waagstuk en de correcte performance heeft niets met goed geluk te maken. Leuk, verrassend, interessant, verruimend. Bravo, dit was het hoogtepunt van de avond.

Het strijkkwartet uit Schuberts tienerjaren is minder gewaagd. Het eerste deel begint met een hele reeks van vraag-en-antwoord zinnetjes, in logische volgorde en netjes herhaald. Mooie muziek uit de klassieke periode. Het Scherzo is het enige deel waarin de Es-groot toonaard tijdelijk in mineur overgaat. In het nogal statige Adagio valt op hoe de cello nauwelijks een bijdrage levert aan de melodieuze ontwikkeling van de muziek. Het verhaal gaat dat deze muziek allereerst bedoeld was om door de familie Schubert thuis gespeeld te worden; papa Schubert was als cellist maar beperkt aanspreekbaar. Het Allegro heeft de jonge Franz gebruikt om te laten zien welke vrolijke en onderhoudende muziek hij kon bedenken.

Het strijkkwartet van Debussy (opgedragen aan César Franck, die er niet veel goeds over te vertellen had) is van 1893 en de componist was toen 31 jaar oud. Ravel, schreef zijn strijkkwartet, dat uit 1902, stamt, toen hij 27 was. Beide kwartetten zijn geen jeugdwerken, maar voorlopers van een nieuw repertoire. Debussy verwerkte veel van zijn vernieuwende muziek in grote orkestwerken. Ravel toonde zijn verfrissende visies vooral in werken voor kleine bezetting. Beide strijkkwartetten hebben ongeveer eenzelfde indeling. Het eerste deel is Allegro, het Scherzo is Assez Vif, in beide stukken, derde deel is langzaam en het laatste deel eindigt weer snel. Maar voor het overige zijn de verschillen opvallend. Debussy gebruikt een heel simpel thema dat wezenlijk maar uit drie noten bestaat. Het komt in alle vier de delen voor en wordt veelvuldig bewerkt en herhaald. Dat roept veel muzikale spanning op en het Van Kuijk Kwartet liet dat in het derde deel, Andantino, ook wel horen bij de vele verschijningsvormen waarin het thema voorkomt. Het vierde deel werd heel bedachtzaam begonnen; ze lieten het geleidelijk uitgroeien tot een wedloop naar het sluitstuk.

Na de pauze en na het strijkkwartet van Nishimura volgde het Ravel kwartet; dat is weer andere koek. In zijn oeuvre wordt het kwartet gevolgd door soortgelijke werken in andere bezetting, waarin vaak de blazers een belangrijke rol krijgen. Het kwartet staat aan het begin van een rijke muzikale ontwikkeling. Het werd opgedragen aan Gabriel Fauré, die het ‘’aanstellerig en onevenwichtig” vond (wat is dat toch met die leermeesters? Zijn ze te streng in de leer zijn om hun beste de leerlingen te kunnen waarderen?), maar Debussy schreef aan Ravel: ”verander in godsnaam geen noot aan je strijkkwartet” (Bernard Johnson, 1965). De pizzicato’s, waarmee het tweede deel begint zorgen voor een gevarieerd klankenpakket. Vooral het derde deel ”Tres Lent” loopt vooruit op latere werken, zoals het pianotrio en het pianoconcert in G. Misschien bedoelde Ravel toch een wat levendiger uitvoering van dit langzame deel; het viel nu bijna stil, en dat is niet zoals we Ravel gewoonlijk kennen. De grens tussen spannend en sloom wordt niet alleen door het tempo bepaald. Het is verleidelijk om je voorstellingen te maken van wat er met die muziek uit dat slepende deel allemaal gedaan kan worden. Die kans heeft het Van Kuijk Kwartet wel een beetje laten schieten. Er zat wel polyfonie in hun spel, mooie kleine aparte stukjes die elders weer werden herhaald. Het laatste deel ‘’vif et agité” grijpt terug op het begin van het tweede deel: heerlijke, uitbundige muziek. We kregen een kleine toegift: een stukje uit een bewerking van een cello-sonate van Poulenc.

Waarom Ravel in verband wordt gebracht met muziek uit het Oosten en met Japanse prenten, en wat er precies Japans is aan de muziek van Nishimura is mij niet duidelijk geworden. Over die 10 seconden bedenktijd waarom werd gevraagd: het spontane gaat er wel van af op deze manier. Misschien moeten we bemoeienis met de wisselwerking tussen de uitvoerend kunstenaars en het luisterend publiek tot het uiterste beperken. Ik vond ook dat de musici ons aan zaten te kijken, zoals Fransen dat doen als je in de vroege zomer in een klein dorpje stopt voor een broodje: ‘’voilá, Les Hollandais, ze zijn er weer’’. De aanblik van een versteend publiek vanaf het podium zal ook wek niet erg opwekkend zijn.

Pieter Kop