Johannes Moser

Maandag 04 maart 2013

JOHANNES MOSER & PAUL RIVINIUS

Ondanks hun nog betrekkelijke jeugd hebben ze al een indrukwekkende carrière doorlopen: in de (muziek)kunst bloeit talent vaak al heel vroeg op. Ze hebben in de meest beroemde muziektempels gemusiceerd met de groten der aarde en zijn daarbij doorgedrongen tot het circuit van de wereldtop. Vanavond eens horen of ze die reputatie ook naar mijn beperkte muzikale kennis waarmaken. Het programma ziet er (voor mij) niet gemakkelijk uit. Muziek van Poulenc en Britten zijn geen alledaagse kost. Ter voorbereiding maar eens horen hoe het klinkt via Spotify en jawel, daar zijn zelfs uitvoeringen van onze musici van het programma van vanavond te vinden. Overigens ook van coryfeeën als Pieter Wispelwey met Paolo Giacometti. Het is altijd leuk om verschillende interpretaties te horen en daaruit een keus te maken. Maar, zoals al gezegd, mijn oordeel berust niet op grondige kennis maar meer op lange luisterervaring en het gevoel dat de muziek bij mij oproept. Een avond zonder barok of muziek uit de klassieke periode is goed voor verrassende ontdekkingen. De cello met zijn warme houtklanken en piano met haar heldere tonen behoren, zeker in combinatie, tot door mij zeer gewaardeerde muziekinstrumenten.

Francis Poulenc (1899 – 1963): Sonate voor cello en piano op. 143 (1940/1948)

Een autodidact en bekwaam pianist, die op zijn 21e nog geen noten kon lezen. Maar mede hierdoor een “onbevangen” componist, wars van traditionele muzikale vormen. Later lid van de door Satie geïnspireerde “Goupe des Six”, waarvan o.a. Milhaud en Honegger deel uit maakten. Deze groep, die zich toelegde op het componeren van sobere, heldere muziek, stelde zich vooral op tegenover Wagner, Debussy en de impressionisten. De sonate van vanavond begint met een allegro in een wat hoekig marsritme. De piano begeleidt de cello. Het marsritme gaat daarna over in een prachtig lyrisch middenstuk, dat aan Brahms doet denken, en vervolgens in een dans met toccata. Het allegro wordt weer afgesloten door de beginmars. Het tweede deel is een cavatine (= kort lyrisch zangstuk): een langzaam gespeeld mijmerend stuk, dat doet denken aan traag stromende maar aanzwellende rivieren, hier en daar onderbroken door een waterval. De ballabile (= dansbaar stuk) lijkt op een groep keuvelende mensen: de noten rollen in een wisselend tempo over elkaar en het deel eindigt in een riedel op de snaren van de cello. De finale begint en eindigt met een zwaar aangezet somber recitatief, afgesloten met door de cello gespeelde zeer hoge tonen (flageoletten).

Benjamin Britten (1913 – 1976): Sonate voor cello en piano in C gr. t. op. 65 (1961)

Hield zich aanvankelijk bezig met o.a. het schrijven van filmmuziek. Brak als internationaal erkend “klassiek” componist door met de uitvoering van zijn Variations on a theme of Frank Bridge tijdens de Salzburger Festspiele 1937. Britten was een overtuigd pacifist en dienstweigeraar. Mede om de militaire dienst te ontlopen verbleef hij tijdens het begin van de 2e wereldoorlog in de VS. Een van zijn belangrijkste opera’s was Peter Grimes (1945). In 1947 formeerde hij de English Opera Group, waaraan legendarische zangers als o.a. Kathleen Ferrier en Peter Pears deelnamen. Hij was ook zeer geïnteresseerd in de Russische muziek in de tijd van de koude oorlog en onderhield persoonlijke contacten met de componisten als Sjostakovich en cellisten als Rostropovich.

Het stuk van vanavond begint met een heftige dialoog tussen cello en piano, overgaand in meer vloeiende melodie, die later weer in donkere tonen opvlamt. Er wordt met veel passie gespeeld. Het tweede deel is een scherzo, waarbij de cello in een ritmisch pizzicato (zonder strijkstok) wordt bespeeld. Het volgend deel (Elegia) is een somber onwaarschijnlijk troosteloos stuk in de lagere registers met zagende dissonanten. Het maakt diepe indruk maar je wordt er niet vrolijk van. De mars (Marcia) die volgt is weer kolderiek en grotesk, waarbij de cellist afgeknepen zagende en bijtende hoge geluiden produceert, gescandeerd door een twinkelende piano. Het slot (Moto Perpetuo) wordt door de cello saltando gespeeld, een techniek waarbij de strijkstok over de snaren stuitert, hetgeen een heel speciaal effect geeft. Het stuk wordt afgesloten met een bijna satanisch slot. Al met al: een heel bijzonder stuk, op een bijzondere wijze en met veel passie gespeeld.

Johannes Brahms (1833 – 1897): Sonate voor cello en piano in e kl. t. op. 38 (1862/1865)

Geboren in Hamburg in een arm maar muzikaal gezin van 3 kinderen. Zijn eerste publieke optredens vonden plaats in duistere havenkroegen. Rond zijn 20e werd hij geïntroduceerd bij Liszt en vervolgens Schumann, voor wiens vrouw Clara hij een sterke genegenheid voelde zonder dat het overigens tot een relatie kwam. In 1863 verhuisde Brahms naar het muziekwalhalla Wenen om daar de rest van zijn leven werkzaam te blijven. Brahms voelde zich meer thuis bij de klassieke traditie van Beethoven, Schubert, Mozart, Haydn en Bach. Van modernisme moest hij niet veel hebben, hoewel hij zich op latere leeftijd toch meer losmaakte van classicistische conventies. Opus 38 wordt met een prachtig lyrisch Allegro non troppo geopend: Brahms ten voeten uit. Maar waar blijft het gebruikelijke adagio? Door de al te perfectionistische Brahms helaas afgekeurd en verwijderd. Jammer dat hij ons dit onthouden heeft. Het menuet, dat volgt, begint met een balletachtige dans, overgaand in een wiegende en walsende melodie. Het laatste deel (Allegro) lijkt Brahms (deels) geleend te hebben uit Kunst der Fuge van J.S. Bach. Het komt regelmatig voor dat delen van elkaar geleend worden. De muziek groeit naar een monumentale slotapotheose.

Toegift:

Een transcriptie voor cello en piano (arr. N. Salter) van Sapphische Ode op. 94 No. 4 van Johannes Brahms

Een heel romantisch, voor cello getranscribeerd, zangstukje van Brahms, waarmee de inmiddels al bewezen kwaliteit van het duo nog eens bevestigd werd.

Een prachtig concert in de vernieuwende traditie van de Souvenir. Ik heb er van genoten.

Maarten Bressers