Blazers Koninklijk Concertgebouw Orkest Amsterdam

Dinsdag 27 oktober 2015

BLAZERS KONINKLIJK CONCERTGEBOUW ORKEST AMSTERDAM

Zoals Francesco van Mierlo al schreef in de toelichting, was Rimski-Korsakov een lid van het zogenaamde machtige hoopje rond Balakirev. De componisten die lid waren van dit machtige hoopje maakten zich sterk voor Russische muziek en zetten zich af tegen componisten die te westers georiënteerd waren.

Als u, net als ik, bij het luisteren naar dit kwintet van Rimski-Korsakov, toch meer westerse dan Russische invloeden heeft gehoord, dan ligt dat niet aan u: Rimski-Korsakov had, net als de andere leden van het machtige hoopje, geen formele muzikale opleiding aan het conservatoriom afgesloten. Toen Rimski-Korsakov in 1871 leraar compositie en orkestratie aan het conservatorium van Sint Petersburg werd, heeft hij, mede op aanraden van Tsjaikovski, veel muziektheorie alsnog bestudeerd. Tot 1877 volgde een periode waarin Rimski-Korsakov meer westers georiënteerde stukken schreef.

Het tweede deel uit dit kwintet sprak me het meest aan. Het begint met een mooie dromerige hoornsolo, en verloopt in een rustige en kalme sfeer met mooie, delicate pianobegeleiding. In het midden volgt een fughetta. De sfeer wordt dramatisch. Daarna komen we weer terug in de rustige en kalme sfeer van het begin. Het derde deel was levendig, vrolijk en lichtvoetig.

Ik herinner me nog, dat ik als kind voor het eerst een stuk van Poulenc hoorde: de sonate voor fluit en piano, op een grammofoonplaat van Jean-Pierre Rampal. Voor mij ging een wereld van harmonieën en kleuren open: aan de ene kant herkenbaar, aan de andere kant nieuw en fris.

Bijzonder fraai vond ik het trio van Poulenc. Met de meer sonore en warme klank van fagot en hobo zijn die kleuren misschien nog wel mooier dan met fluit of klarinet. Een heerlijke, contrastrijke afwisseling van allerlei fragmenten, met de meest uiteenlopende temperamenten en sferen: elegant, burlesk, licht, donker, dromerig, fel, zacht, hard, ingetogen, dramatisch, enzovoort.

De grote verrassing was voor mij het eerste stuk na de pauze, het sextet van Martinu: in de Prelude vleugjes jazz en volksmuziek, een prachtig Adagio, wat donkerder dan de Prelude, met mooie lange legato-lijnen, een prachtige Blues met een fagot in de hoofdrol, gevolgd door een uitbundige Finale met in de piano een paar motieven die mij aan Rhapsody in Blue van Gershwin deden denken.

Het sextet van Poulenc was, net als het eerder gespeelde trio, vol contrasten en, ook vanwege de grotere bezetting, nog uitbundiger. De blazers van het Koninklijk Concertgebouworkest hebben, samen met de pianist Jeroen Bal, alles heel mooi gespeeld. Een prachtig concert met een heel bijzonder repertoire.

Wouter van der Meiden