UFUK & BAHAR DÖRDÜNCÜ

Dinsdag 23 September 2014

UFUK & BAHAR DÖRDÜNCÜ

De fantasie in f kl t van Frans Schubert is een van de meest gespeelde quatre-mains in de concertzaal. Het is muziek die de militaire marsen en polonaises, die Schubert schreef voor zijn muziekavondjes, overstijgt. Het is een volledig werkstuk met terugkerende thema’s in alle relevante toonaarden, dat na maat 475 wordt afgesloten met een fuga. Het is een prachtig stuk, maar het vereist een weldoordachte choreografie voor de twee pianisten om elkaar niet in de weg te zitten. Het stuk is opgenomen door heel wat vaste combinaties (Groethuyzen enTal, maar ook Lucas en Arthur Jussen) en ook door éénmalige combinaties (Perahia en Lupu). Het stuk is zeer aansprekend, iedereen kan het thema voorzingen en Schubert heeft geen kans voorbij laten gaan om de zijn mooie tertsen te laten horen. Het is een stuk waar je voor op blijft als het laat wordt uitgezonden, en waarvan je toch weer meer uitgaven in de cd kast hebt staan dan je had gedacht.

Het stuk heeft één nadeel, dat is me pas vanavond opgevallen: het heeft niets van doen met Bartok en Stravinsky. Het is lastig om dit vroeg negentiende-eeuwse werk te programmeren in een concert met de vernieuwende vroeg twintigste-eeuwse muziek uit Oost Europa. Een goede aansluiting is moeilijk te vinden en daar konden Ufuk en Bahar Dördüncü ook niets aan doen. Ze hebben het prachtige werk in alle toonaarden laten schitteren, en zelfs een beetje laten donderen in het Largo, en ook de 32ste nootjes scherp en tóch klankrijk gespeeld. Ze begonnen er aan met een traag en gedragen tempo, maar het Allegro vivace was snel en licht, alsof je kinderen op straat hoort spelen, en de fuga klonk fors en duidelijk. De fantasie is absoluut een topstuk onder de quatre-mains stukken, en werd door de zussen Dördüncü voortreffelijk gepresenteerd.

Als je als pianoduo of als quatre-mains-pianisten door het leven gaat zijn er klassiekers die je vaak zult moeten uitvoeren. De Sonate voor twee piano’s en slagwerk van Bartok is er daar één van. Bartok schrijft heel gedetailleerd voor hoe elk slagwerk instrument moet worden behandeld en, als ik de digitale literatuur over dit werk mag geloven, zelfs dat één van de pianisten de uitvoering moet leiden, als er een versie zonder orkest wordt uitgevoerd. Zelf speelde hij dit werk vaak met zijn echtgenote, in zijn tijd in de USA, en het laat zich raden hoe de leiding dan werd geregeld. Wie de leiding had op Dinsdagavond is moeilijk te zeggen, we hebben daarvoor te weinig van het stuk gehoord. Om programma-technische redenen werd besloten het eerste deel van de sonate over te slaan en alleen deel twee en drie te spelen. Nu wil het geval dat het eerste deel één groot en compleet muziek stuk is geworden, met een inleiding, een expositie , een doorwerking en een prachtig slot deel. Waarom er dan niet gekozen is voor dat zelfstandige eerste deel, maar voor de twee losse daaropvolgende delen, is me niet duidelijk geworden. Aan de tijd kan het niet gelegen hebben: het eerste deel duurt even lang als de twee volgende delen samen. Als we nu bedenken dat Schuberts Fantasie als een Fremdkörper kan worden gezien in dit concert, zou het dan niet logischer zijn geweest om te volstaan met de volledige Bartok, naast de gehele Stravinsky, en de Fantasie van Schubert een plaats te geven in een passender context.

Maar dat neemt niet weg dat het tweede deel van Bartoks sonate, een dromerig Lento, een mooi nachtstuk is, met ruisende bomen, magische vogelgeluiden; je ziet geen hand voor ogen en het wordt hoe langer hoe spannender, mede door het opgevoerde tempo. De percussie instrumenten beginnen zich te roeren en de piano’s gaan een fluisterend duet aan: Bartok op zijn prachtigst. De percussiespelers stalen de show: ze bespeelden wisselend op verschillende instrumenten, variërend tussen snaar drum en grote trom, met de xylofoon als uitschieter en melodiemaker naast de piano’s. Het derde deel, Allegro non troppo, is het best bekend. Het resultaat was mooi spetterend spel. Alle lof voor de percussionisten, die met het gezicht naar de zaal toe speelden; dat kwam ook het geluid ten goede en het was ook visueel zeer onderhoudend. Het moet aardig wat repetitietijd gevergd hebben om het zo mooi gelijk en welluidend te krijgen. De samenwerking tussen de pianisten en slagwerkers was perfect; wat een discipline. En dan te weten dat de zussen Dörüncü gewend zijn met hun eigen percussionisten op te treden. Het blijkt om verschillende redenen een geschikte en verstandige keuze om zich te verzekeren van de medewerking van regionaal bekende kunstenaars.

Le Sacre was het klapstuk van de avond: beelden uit het heidense Rusland, geschreven voor het ballet van Diaghilev, op een scenario van Stravinsky zelf en uitgevoerd onder leiding van Pierre Monteux. Dat waren de drie hoofdpersonen die samen één artistiek werkstuk leverden, zij het met nogal wat vallen en opstaan. Stravinsky had al een symfonie geschreven en ook Feu d’ Artifice; weliswaar onder de leiding van zijn leraren in St Petersburg, maar toch een componist met ervaring in het orkestreren. Bij de repetities van Le Sacre werd niettemin heel veel geklaagd over de orkestratie: afzonderlijke instrumenten zouden onhoorbaar zijn, hoogten niet haalbaar en ritmes onspeelbaar. Stravinsky schreef aanvankelijk een versie voor één piano als leidraad voor Diaghilev en Monteux, maar die is verloren gegaan. De versie voor twee piano’s werd voor het eerst gespeeld in 1912, met Debussy als duo pianist, naast Stravinsky. De orkestversie en het ballet kwamen pas 1913 klaar. Ook daarbij waren pijnlijke confrontaties niet van de lucht, volgens Stravinsky’s autobiografie. Het verhaal gaat dat de danser Nijinsky een grote mate van zeggenschap kreeg bij de totstandkoming van het ballet, maar dat hij geen noot muziek kon lezen en ook zijn bedoelingen over de choreografie slecht kon verwoorden. Ook Monteux was verre van tevreden; hij verbood zijn orkestleden om op de repetities te interrumperen als ze meenden fouten in de partituur te hebben ontdekt. Ook de critici waren niet gelukkig over de muziek: Stravinsky moest maar voor slagwerkers gaan schrijven, schreef een krant in London; van muziek heeft hij geen kaas gegeten, maar ritmes, dat ging nog wel.

Dat bleek deze avond allemaal reuze mee te vallen en van roerigheden als die van een eeuw geleden was niet veel te merken. De opstelling van de piano’s, tegenover elkaar, maakte meteen duidelijk dat de zussen Dördüncü hadden gekozen voor de uitvoering voor twee piano’s, en niet voor de vier-handige , quatre-mains op één piano, zoals vermeld in de begeleidende tekst. De één-piano versie is een geheel ander muziekstuk, waarvan overigens een prachtige Decca opname uit 1990, door Askenazy en Gavrilov, nog steeds verkrijgbaar is.

Het eerste deel, bestaande uit diverse dansen en volksmelodieën werd verrassend fris en vrolijk gebracht. De zware bi-tonale akkoorden en de vijf-achtste ritmes waren geen aanleiding om een timmerfabriek te imiteren, integendeel ze brachten verrassing en samenhang. Stravinsky gebruikt veel verschillende dansen en ritmes en toonaarden, en dan is het moeilijk één lijn aan te brengen, maar de uitvoerende waren daartoe heel goed in staat. Het samenspel was zeer gedisciplineerd en de lichaamstaal waarmee de pianisten elkaar signaleerden was voorbeeldig (buigen, kijken, wenken en handen opsteken) opmerkelijk. De dans van de Auguren en het daarop volgende verleidingsritueel zijn uitputtend. Ze worden besloten met de lente-dans en de processie der wijzen, die beide weer wat rust brengen. Het stuk eindigt met en onwaarschijnlijk wreed slotakkoord, door een criticus ooit een ‘’rauwe amputatie’’ genoemd.

Het tweede deel is meer coherent dan het eerste deel. De wijzen uit het eerste deel wandelen nu andante, en de prille meisjesgeluiden glinsteren door elk stuk heen (Messiaen zal hier zeker goed naar geluisterd hebben). De betoverende Offerdans vormt de kern van het tweede deel. Het percussie aandeel in de orkestversie is aanzienlijk en volstrekt onmisbaar. De componist kan daarvan niet alles aan de piano toe bedelen; het was wonderlijk hoe goed de pianisten er in slaagden hiervoor een compensatie te vinden, door kleuringen te hanteren en accenten te leggen. Veel herhalingen en hernemingen van thema’s uit het eerste deel, maar in hoger tempo met meer dynamiek, voeren naar het einde. Ook hier, na een lange rust, een slotstuk met glissando’s en een onbegrijpelijk slot akkoord.

Een belevenis was het, deze avond. Veel lof voor de zussen Ufuk en Bahar Dördüncü, die ons door een ingewikkeld muziekstuk hebben geleid. En niet minder lof voor Reggy van Bakel en Djuri den Tuinder voor een prachtige Bartok; ze deelden op het eind zeer terecht in het gulle en dankbare applaus.

Pieter Kop