Alexei Volodin

Vrijdag 01 februari 2013

ALEXEI VOLODIN

Volodin (1977), de Russische meesterpianist kwam een dag vóór zijn optreden in Amsterdam naar Tilburg. Het pianospel was een belevenis: lichtvoetig, trefzeker, een subtiel pedaalgebruik, een mooie wisseling van forte en piano, tactiele accenten in één akkoord. Voor de pauze werden zeer bekende stukken gespeeld: de vier Impromptus (p. 90, 1827) van Franz Schubert, en de Sonate Pathétique van Ludwig van Beethoven, na de pauze onbekend werk: het arrangement van de Russische pianist, dirigent en componist Mikhail Pletnev (1957) van Tschaikovsky’s Notenkrakersuite (op. 71 a) en de Sonate no. 2 (op. 54) van de Rus Nikolai Kapoestin (1937).

Het plezier van de herkenning wordt wel eens een feest genoemd. Dat is nog maar de vraag, omdat muziekliefhebbers en zeker de ijverige amateurpianisten onder ons extra er op gespitst zijn, of de interpretatie boeiend genoeg is om er weer naar te luisteren. Bij Schubert en Beethoven bleek, dat Volodin veel zorg besteedde aan de contrapunt en de melodielijn van de linkerhand. De derde, de mooiste Impromptu van Schuberts opus 90, geschreven een jaar vóór diens dood, vraagt om een ragfijn touché, om een culinaire smaak voor de moduleringen en om een goed gekozen tempo (niet te langzaam, niet te snel), waardoor de golvende melodie echt kan ontroeren. Volodin toonde ons zijn groot talent. In het eerste deel van de Pathétique (1799) liet de bijna dertigjarige Beethoven zijn wanhoop horen over de achteruitgang van zijn gehoor. Het is een aangrijpend stuk, in die tijd zelfs shockerend. Volodin speelde Schubert en Beethoven mooi, maar het is de vraag, of de sprong naar het hart van iedere luisteraar plaatsvond.

Het repertoire was goed opgebouwd. Na de pauze mochten we kennismaken met twee werken, die door hun grote klankpalet geweldig tot hun recht kwamen in de ruimte van de prachtige concertzaal van Jo Coenen. De meesterpianist speelde met bravoure Pletnev’s arrangement van de Notenkrakersuite, bestaande uit acht delen. Vrolijke, elegante muziek. In twee deeltjes kwamen we weldadig tot rust (o.a. in de dans van de suikerfee). Dat is nodig, want virtuositeit imponeert, indien de muze ons niet te hardhandig en te langdurig probeert te verleiden. Het applaus was uitbundig. Dé verrassing van de avond was al aangekondigd door Thijs Bonger in zijn boeiende inleiding in de Audaxzaal (vanaf 19.30 uur). De Russische componist Nikolai Kapoestin, bij ons nagenoeg onbekend, slaat een brug tussen klassiek en jazz. Hij laat zich graag inspireren door Art Tatum, Erroll Garner en Bill Evans. Thijs Bonger liet enige fragmenten van deze jazzmusici horen om ons in de stemming te brengen. De Sonate nr. 2 bestond uit zoveel noten, dat je niet steeds de lijnen goed kon ontdekken, maar bij verrassing waren er jazzy ritmes. We beseften weer eens, dat we niet alleen luisteren met de oren. Thuis zou je de muziek te overweldigend vinden, maar oog in oog met de pianist was er geen ontkomen aan. De oude Liszt kon als virtuoos nog indruk oproepen vanwege zijn gestalte en reputatie. Hier was een meesterpianist, die zich in eenvoud aan ons presenteerde en ons echt een dienst wilde bewijzen. Dat bleek uit de twee prachtige toegiften die hij gaf: twee preludes van Rachmaninoff, Prélude, nr. 12 (op. 32, 1910), daarna de imposante Prélude nr. 5 (op.23, 1901). Een pianist kan ook een kunstenaar zijn: Volodin maakte ons enthousiast.

Paul Overmeer